Logo Universiteit Utrecht

Medieval Memoria Online

1.5 Breed kwantitatief en kwalitatief onderzoek

Tellen ter voorbereiding van een onderzoek
De database is een geschikt hulpmiddel voor het verzamelen van kwantitatieve gegevens. Daarbij kan het gaan om eenvoudige tellingen. Hoeveel registers met schenkingen uit parochiekerken zijn er nu bekend en beschreven, en hoeveel uit kloosters? Hoeveel handschriften met levensbeschrijvingen van kloosterlingen bevinden zich momenteel in het buitenland?

Afb. 9. Monument van Jan Jansz. van Crimpen, burgemeester van Gouda († 1524) met een Latijns lofdicht geschreven door Petrus Nannius, rector van de Latijnse school in Gouda en later professor in Leuven († 1559), zie MeMO memorial object ID 1385

Dit soort praktische en inhoudelijke vragen kunnen beslissend zijn voor het starten van een nieuw onderzoek. Zo blijken de grote aantallen Latijnse en Nederlandse inscripties op grafzerken en andere monumenten in de MeMO-database zich uitstekend te lenen voor een vergelijkende analyse van deze teksten (afb. 9). De transcripties van de grafteksten in de handschriften van de Utrechtse geschiedkundige Arnoldus Buchelius (1565-1641) kunnen eventueel in dit onderzoek worden betrokken waardoor met nog grotere aantallen kan worden gewerkt. De onderzoeker kan bijvoorbeeld nagaan:

  • In hoeverre de keuze van de taal te maken heeft met de stand of sociale klasse van de herdachte personen en de functies die zij bekleedden,
  • In welke opzichten de vorm en inhoud van de teksten in de twee talen van elkaar verschillen en in welke mate het middeleeuws en het humanistisch Latijn hierin een rol speelden,

en in het algemeen

  • Of er op deze punten veranderingen zijn te constateren van gebied tot gebied en door de tijd heen.

 

Een casus in een breder perspectief plaatsen
Je kunt kwantitatief onderzoek ook aangrijpen om een casus in een breder perspectief te plaatsen en na te gaan in welk opzicht deze casus gewoon is of juist bijzonder. Het tellen van voorstellingen met gebedsportretten laat bijvoorbeeld zien dat het drieluik met het Laatste Oordeel van Anna van Noordwijk in één opzicht een voorstelling is van dertien in een dozijn (afb. 10). Op het linkerluik zijn Anna’s man en hun zoons afgebeeld en op het rechterluik Anna en hun dochter. Op het middenpaneel knielen links de grootouders en rechts de ouders van Anna, met de vrouwen achter hun man.

Afb. 10. Laatste Oordeel met de gebedsportretten van Anna van Noordwijk, haar grootouders, ouders en haar man en hun kinderen. De voorstelling toont de twee standaardopstellingen voor mannen en vrouwen, met voor de vrouwen steeds de meest bescheiden plaats ten opzichte van de religieuze voorstelling, zie MeMO memorial object ID 718.

Mannen zijn consequent op de belangrijkste plaats geportretteerd, en wel volgens de twee standaardopstellingen die voor memorievoorstellingen golden voor het gebied van het huidige Nederland: ofwel de mannen knielden rechts van de religieuze voorstelling (dus links voor de beschouwer) en de vrouwen links ervan (rechts voor de beschouwer), ofwel de vrouwen knielden achter de mannen. Juist omdat men zich streng aan deze patronen hield, zo is uit onderzoek gebleken, tonen afwijkingen hiervan dat de opdrachtgever(s) kennelijk iets bijzonders wilden laten weten over de herdachte personen. Tevens is gebleken dat bij voorstellingen waarin meer echtparen voorkomen de personen zo zijn geplaatst dat er geen misverstand kan bestaan over welke personen een paar vormden.

Het drieluik met het Laatste Oordeel vertoont wat betreft de plaatsing van mannen en vrouwen geen afwijkingen, maar in een ander opzicht is het wel een opvallend stuk. De wapenschilden wijzen erop dat het geslacht Van Noordwijk, het geslacht waaruit de echtgenote afkomstig was, centraal staat. En dat lijkt bijzonder te zijn geweest: van de memorievoorstellingen waarvan de herdachte personen geïdentificeerd zijn, kennen we op dit moment geen andere memorievoorstelling waarin de overleden voorouders van de echtgenote worden herdacht en waarvan deze echtgenote de opdrachtgeefster was.

Want het is vrijwel zeker dat Anna van Noordwijk het drieluik liet maken. De voorstelling toont de portretten van haar voorgeslacht en het drieluik wordt op stilistische gronden rond 1512 gedateerd. Het is dan ook goed mogelijk dat het kort na de dood van Anna’s man in dat jaar werd vervaardigd.

In de literatuur wordt vaak zonder enige argumentatie aangenomen dat het de mannen waren die de opdrachten voor schenkingen en stichtingen gaven. Bij het bestuderen van de schriftelijke bronnen die de memoria betreffen, zo hebben verschillende onderzoekers al geconstateerd, blijkt echter dat een groot aandeel van vrouwen verondersteld mag worden. Een grootschalig vergelijkend onderzoek naar de rol van mannen en vrouwen in schenkings- en stichtingspraktijken is zeer gewenst.

Memorievoorstellingen met meer dan twee generaties zijn hoe dan ook zeldzaam. In de database met meer dan 450 memorievoorstellingen zijn er op dit moment circa 15 te vinden met (leden van) drie of vier generaties. Op de andere voorstellingen staan voor het overgrote deel één persoon, een echtpaar of een gezin.

Er is nog iets bijzonders: er is een Laatste Oordeel afgebeeld, maar Maria en Johannes de Doper bevinden zich niet zoals gebruikelijk in de hemel ter weerszijden van de oordelende Christus, maar achter de portretten op de luiken. Dit betekent dat de heiligen die standaard voorkomen in een voorstelling met het Laatste Oordeel hier dus als de beschermheiligen van de geportretteerde personen zijn afgebeeld.