Logo Universiteit Utrecht

Medieval Memoria Online

1.4 Het memoriaonderzoek en het MeMO-project

Bij onderzoek naar identiteiten moet onder andere worden achterhaald op welke punten groepen zich onderscheiden van andere groepen en hoe personen zich profileren als lid van een groep. Men denke daarbij aan verschillende soorten familiegroepen, maatschappelijke standen en functies, en organisaties zoals gilden en kloosterorden.

Onderzoekers moeten de bronnen dus kunnen beoordelen op de mate waarin de inhoud en verschijningsvorm gangbaar was of juist bijzonder. Is een memorievoorstelling met een Kruisiging en gebedsportretten er een van dertien in een dozijn, of zijn bepaalde onderdelen van de iconografie juist bijzonder? Bevat een stichtingsakte waarin de nagedachtenis van een familie wordt geregeld de gebruikelijke bepalingen of wijkt deze op bepaalde punten af? Dit soort vragen zijn mogelijk te achterhalen via een combinatie van breed kwantitatief en kwalitatief onderzoek enerzijds en casusonderzoek anderzijds, zie het voorbeeld onder 1.5.

Onderzoekers van de dodengedachtenis worden echter keer op keer geconfronteerd met een lastig probleem: het onderzoeksmateriaal is verspreid geraakt en vaak is het bestaan van belangrijke bronnen zelfs niet bekend. De MeMO-database biedt daarom inventarisaties met beschrijvingen van objecten en teksten die een functie vervulden in de memoria. De bronnentypen die in de database zijn opgenomen zijn:

  • grafmonumenten en grafzerken
  • memorievoorstellingen
  • tekstdragers met memorieregisters
  • tekstdragers met verhalende bronnen die een functie hadden in de dodengedachtenis.

Voor nadere uitleg over deze bronnentypen zie hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4.

De inventarisatie betreft het gebied van het huidige Nederland tot 1580 (zie kaart in hoofdstuk 6). Rond dat jaar maakte in het grootste deel van Nederland de katholieke religie als publieke godsdienst plaats voor wat in die tijd de gereformeerde religie werd genoemd. Hierdoor kwam in die gebieden langzaam maar zeker een einde aan de dodengedachtenis in haar middeleeuwse gedaante. Noord-Brabant, Limburg, delen van Gelderland en Zeeuws-Vlaanderen bleven grotendeels katholiek, al wisselden de katholieke en gereformeerde religie elkaar tot 1648 met tussenpozen af.