Logo Universiteit Utrecht

Medieval Memoria Online

2.4 De noodzaak van bronnenkritiek: drie casussen

Problemen bij het onderzoek van objecten, tekstdragers en teksten

Bronnenkritiek, het beoordelen van objecten, tekstdragers en teksten op hun waarde en betrouwbaarheid voor een onderzoek, is om twee redenen van groot belang:

  • De bronnen fungeerden binnen de memoria als gebruiksvoorwerpen en werden dan ook aangepast indien men dat nuttig vond.
  • Zoals bij alle middeleeuwse bronnen kunnen ook de tand des tijds en menselijk ingrijpen hun verschijningsvorm en waarde als historisch document hebben veranderd.

Bij memorievoorstellingen zijn foto’s vaak niet het aangewezen middel om veranderingen in de voorstelling te kunnen achterhalen, net zoals van inscripties op grafzerken niet altijd via foto’s is vast te stellen of ze bij de vervaardiging van de zerk of veel later zijn aangebracht. Een ander probleem is dat van veel objecten de polychromie is verdwenen: grafmonumenten, grafzerken en gebeeldhouwde memorievoorstellingen waren bontgekleurd, iets wat ook gold voor de lijsten van geschilderde memorievoorstellingen. Dit geeft de objecten niet alleen een ander aanzien, maar ook kunnen teksten, wapenschilden en belangrijke symbolen zijn verdwenen. Ook beschadigingen en het verlies van (vaak belangrijke) onderdelen van de objecten kunnen het onderzoek in de weg staan.

Bij tekstdragers is in sommige gevallen gemakkelijk te constateren dat er pagina’s en hele delen zijn verdwenen. In andere gevallen is uitgebreid codicologisch onderzoek nodig om ingrepen te achterhalen. Indien een tekstdrager meerdere teksten bevat, is het belangrijk te weten hoe deze handschriften tot stand zijn gekomen, omdat dat bij kan dragen aan onze kennis over het functioneren van de afzonderlijke teksten. Tekstdragers met meerdere teksten zijn grofweg in te delen in twee varianten, met een breed scala aan tussenvarianten (zie Gumbert, ‘Codicologische eenheden’). Voor het MeMO-project is ervoor gekozen de tweedeling aan te houden en aanvullende informatie te verschaffen die een nadere precisering van de aard van het handschrift mogelijk maakt. In de MeMO-database worden daarom onderscheiden:

  • verzamelhandschriften (Eng. miscellanies): handschriften met meerdere teksten die qua inhoud of thematiek een samenhang vertonen en/of uit dezelfde instelling afkomstig zijn. In een verzamelhandschrift kunnen dus allemaal teksten zijn opgenomen die de dodengedachtenis betreffen. Deze handschriften kunnen in één keer zijn afgeschreven ten behoeve van de instelling waar ze werden gebruikt. De in de tekstdrager aanwezige teksten, zoals een graflijst of een schenkingsregister, kunnen vervolgens over een langere periode zijn bijgehouden, maar er kunnen ook nieuwe teksten in het handschrift zijn toegevoegd.
  • convoluten (Eng. composites): handschriften met teksten, die op een gegeven moment zijn samengebonden, zonder dat ze qua thematiek op elkaar aan hoeven te sluiten, of zonder dat ze afkomstig zijn uit een en dezelfde instelling. De teksten uit een dergelijk handschrift werden dikwijls gebundeld op basis van het formaat van de afzonderlijke delen (teksten). Er hoeft dus geen samenhang te zijn tussen de teksten in een convoluut; er kunnen bijvoorbeeld naast teksten die de memoria betreffen ook profane teksten in dezelfde band zijn opgenomen. In veel gevallen zijn dit soort bundelingen gemaakt in opdracht van een latere eigenaar.

Hieronder worden drie casussen beschreven, ieder met een eigen problematiek.

Het kapittelboek van de abdij van Berne

Afb. 8. Lijst met de abten van de Norbertijnenabdij Berne. De lijst van de abten tot 1574 is in een keer afgeschreven. Daarna zijn de opeenvolgende abten toegevoegd, met nummers om te garanderen dat men de juiste volgorde zou onthouden, MeMO text carrier ID 17

Uit de abdij van Berne is een verzamelhandschrift bewaard dat bekend staat als kapittelboek. Een kapittelboek bevat teksten die gebruikt werden in de liturgie van het kapittel, de dagelijkse bijeenkomst van de kloosterlingen in de kapittelzaal (zie Text carriers ID 17). In het Bernse kapittelboek bevinden zich twee memorieregisters: een naamlijst (opvolgingslijst) van abten en een kalender met te verrichten memoriediensten die tevens een lijst van schenkingen is.

Er zijn ook uit andere norbertijnenkloosters kapittelboeken bekend. Een aantal van deze handschriften bevat evenals dat uit Berne een kalender. Ongewoon was de aanwezigheid van een kapittelboek in de norbertijnenabdij dus niet, maar het moment van vervaardiging en de totstandkoming van het handschrift uit Berne roepen allerlei vragen op.

Het handschrift is in 1574 in één keer afgeschreven door Arnoldus van Vessem (1549-1608). Mogelijk was het oude kapittelboek door het intensieve gebruik aan vernieuwing toe, maar waarschijnlijk is er meer aan de hand geweest. Het kapittelboek werd namelijk vervaardigd toen de kloosterlingen ‘in ballingschap verkeerden’. Ze waren in 1572 uit hun abdij verdreven en de groep was verspreid over verschillende kloosters ondergebracht. Pas in 1623 kregen de kloosterlingen van Berne weer een eigen onderkomen, in Den Bosch.

Het kapittelboek heeft dus lange tijd geen functie gehad in de liturgie van de kloostergemeenschap. Het afschrijven van het handschrift kan echter – juist in deze tijd – wel andere functies hebben gehad. Zo kan het een uitdrukking zijn geweest van vertrouwen in het toekomstig herstel van de gemeenschap van de levenden en doden in hun eigen abdij. De aantekeningen van de schenkingen kunnen eveneens hebben gefungeerd als overzicht van (een deel van) hun rechtmatige bezit.

Behalve de vragen naar de functies en betekenis van het handschrift zijn er de vragen naar de totstandkoming ervan. Is het een integraal afschrift van het oude kapittelboek van de abdij en stonden daar dezelfde teksten in als in het verzamelhandschrift van 1574 of heeft Arnoldus van Vessem het samengesteld uit verschillende documenten?

De abtenlijst geeft geen aanwijzingen op dit punt. Het maken van een opvolgingslijst van oversten van kloosters en conventen was gebruikelijk en het is dan ook goed mogelijk dat Van Vessem de lijst in 1574 in één keer heeft afgeschreven. Hij kan hem echter tegelijkertijd hebben gecorrigeerd en aangevuld. Het enige wat we weten is dat hij na 1574 regelmatig is aangevuld (afb. 8).

Voor het opstellen van de kalender is vastgesteld dat Van Vessem gebruik maakte van een of meer oudere, niet meer overgeleverde registers. Dit blijkt uit de vermeldingen van norbertijner kloosterzusters uit de twaalfde eeuw. Hun namen worden genoemd zonder enige nadere aanduiding van het klooster waarin zij waren ingetreden. Dit wijst erop dat ze uit de abdij van Berne afkomstig waren. De abdij, die in 1134 werd gesticht, was in de beginfase nog een dubbelklooster (voor mannen en vrouwen). Of het register van 1574 een volledig overzicht geeft van de overleden kloosterlingen uit de beginperiode, valt niet te zeggen.

Zonder uitputtend onderzoek blijven er veel vragen open over de manier waarop Arnoldus van Vessem het handschrift van 1574 heeft vervaardigd. Mogelijk blijken deze vragen zelfs helemaal niet te beantwoorden.

 

Het monument van Joost Sasbout en Catharina van der Meer

Aanpassingen aan grafmonumenten kunnen net als het oorspronkelijke monument met speciale bedoelingen zijn gemaakt. Het is echter wel belangrijk origineel en aanpassing te onderscheiden om uitspraken te kunnen doen over de intenties die men had met het oorspronkelijke en met het aangepaste monument.

Afb. 9a. Monument van Joost Sasbout († 1546), een hoge functionaris eerst in Holland en daarna in Gelre, en zijn vrouw Catharina van der Meer († 1560) in de Grote of St. Eusebiuskerk in Arnhem. De religieuze voorstelling en de luiken die ter weerszijden daarvan waren aangebracht, zijn verdwenen, MeMO memorial object ID 570

In de Eusebiuskerk in Arnhem bevindt zich het wandmonument van Joost Sasbout (1487-1546) en zijn vrouw Catharina van der Meer († 1560, afb. 9a en 9b). Dit monument bestaat uit drie delen en is hoogstwaarschijnlijk vervaardigd door de kunstenaar Colijn de Nole. Dit is vastgesteld op basis van de stilistische kenmerken en de steensoort die is gebruikt. Mogelijk zijn een of allebei de herdachte personen zelf de opdrachtgever geweest.

Het onvolledig bewaard gebleven monument bestond uit drie delen. Van het middendeel is het reliëf met (waarschijnlijk) de Geboorte van Christus inmiddels verdwenen, evenals de luiken waarvan de scharnieren nog wel aanwezig zijn. In het bovendeel bevinden zich twee gebeeldhouwde engeltjes met een boek; dit verwijst naar het vleesgeworden Woord. Het onderste deel bestaat uit twee tekstdelen en een afbeelding van twee liggende figuren, een in ontbinding verkerend lijk en een pas gestorven vrouw.

In de literatuur is sinds de jaren tachtig van de twintigste eeuw een discussie gaande over de wijze waarop het monument tot stand is gekomen. Sommige auteurs concluderen dat het middendeel met de tekst in Gotische letters het oorspronkelijke deel is. Het onderste deel met de transi en de inscriptie in Romeinse letters en het bovenste deel zouden van later datum zijn. Als argumenten worden de niet geheel aansluitende afmetingen van de onderdelen van het monument genoemd evenals het contrast tussen de traditionele tekst op het middendeel (naam en jaar van overlijden) en de humanistische teksten op de andere delen.

Afb. 9b. Detail van het monument van Joost Sadbout en Catharina van der Meer.

Uit recent vergelijkend onderzoek van grafzerken en grafmonumenten is echter gebleken dat het monument van Joost Sasbout en zijn vrouw wel degelijk in één keer gemaakt kan zijn. Er werden verschillende aspecten in dit onderzoek betrokken. Zo bleek dat in de beeldhouwwerken die op stilistische gronden zijn toegeschreven aan Colijn de Nole onderdelen qua afmeting vaker niet helemaal aansluiten. Tevens is duidelijk dat combinaties van traditionele en humanistische teksten en lettertypen tegen het midden van de zestiende eeuw eveneens niet ongewoon waren (zie onder andere MeMO memorial object ID 233, circa 1535, en ID 1385, waarschijnlijk tussen 1524 en 1537).

Door het ontbreken van de voorstelling in het middendeel en de luiken waarop zich mogelijk ook voorstellingen bevonden, zijn de door de opdrachtgever(s) bedoelde functies van dit monument nauwelijks nog vast te stellen. Vanzelfsprekend diende het om de vermelde personen te gedenken. Joost Sasbout, een hoge functionaris in Gelre, en zijn vrouw kunnen echter ook andere bedoelingen met dit complexe monument hebben gehad en bijvoorbeeld een politiek-maatschappelijke boodschap hebben willen overdragen aan beschouwers.

Nieuwe vondsten door technisch onderzoek van schilderijen

De laatste jaren is door technisch onderzoek en door restauraties van geschilderde memorietafels een flink aantal, soms eeuwenoude ingrepen in de voorstelling aan het licht gekomen. Als casus wordt hier een kunstwerk besproken waarvan de ingrepen zelfs met het blote oog te zien zijn, dat wil zeggen voor wie het kunstwerk zelf kan gaan onderzoeken. Want ook goede foto’s leveren in veel gevallen niet altijd voldoende informatie op.

Afb. 10a. Luiken met een onbekende familie met overschilderde wapenschilden (1540-1545), MeMO memorial object ID 678

In het Kunsthistorisches Museum in Wenen bevinden zich twee luiken met een aantal nog niet geïdentificeerde gebedsportretten. Waarschijnlijk behoren ze bij een schilderij in Museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam (afb. 10a en 10b). Gezien de stijl kunnen zowel het schilderij als de luiken met grote zekerheid worden toegeschreven aan de Haarlemse schilder Maarten van Heemskerck. Dat de wapenschilden op de luiken zijn overschilderd en vervangen door andere wapenschilden is uitstekend te zien met het blote oog en zelfs op een goede foto. De andere ingreep kon worden ontdekt door gebruik te maken van het buitenlicht dat langs de zijkant van de luiken op het verfoppervlak viel. Door dit strijklicht worden namelijk onregelmatigheden in de verflagen zichtbaar.

Voor wie geen gebruik maakt van deze specifieke lichtval lijkt het alsof er alleen volwassen personen op de luiken staan, twee mannen op het linkerluik en vier vrouwen op het rechterluik. Het strijklicht toonde echter dat op beide luiken ook kinderen staan, een jongetje op het linkerluik en een meisje op het rechterluik. Wat hier aan de hand is, is tot nu toe een raadsel gebleven. Het is duidelijk dat de kunstenaar gelijkende portretten heeft geschilderd; ook de alleen bij strijklicht zichtbare koppen zijn echte portretten. In de portretten van de volwassenen lijken geen veranderingen te zijn aangebracht, maar technisch onderzoek zou uitsluitsel moeten geven op dit punt. Eveneens zou nader onderzocht moeten worden of de veranderingen in de wapenschilden en het overschilderen van de portretten van de kinderen gelijktijdig hebben plaatsgevonden. Pas dan kan verder worden gezocht naar antwoorden op de vragen naar de identiteit van de afgebeelde personen en het waarom en wanneer van de veranderingen.

Afb. 10b. Detailopname van de zijluiken. Op de luiken zijn bij strijklicht de weggeschilderde portretten van een meisje (hier afgebeeld) en een jongetje te zien.

Dit geval staat niet op zichzelf. Portretten, wapenschilden en teksten blijken te zijn veranderd, overschilderd of weggehaald, of ze zijn in een al voltooide voorstelling erbij gezet (zie bijvoorbeeld MeMO memorial object ID 728, ID 748, ID 749 end ID 782). Soms is duidelijk dat de ingreep plaatsvond toen het schilderij nog als memorietafel fungeerde. Waarom een nieuwe memorietafel laten maken voor iemand als zijn portret juist goed in een al voltooide memorietafel zou passen, bij de portretten van zijn medebroeders (MeMO memorial object ID 563). Dat toont immers de gemeenschap waartoe de overledene behoorde, zo kan men geredeneerd hebben.

Het belang van openbaarheid van onderzoeksgegevens

Een gedegen bronnenkritiek is de basis van alle (kunst)historisch onderzoek. Daarom maken steeds meer musea, archieven en andere erfgoedinstellingen de resultaten van technisch en codicologisch onderzoek en van conservering en restauraties openbaar, hopelijk in de toekomst ook steeds vaker op het internet. Hierdoor kunnen valkuilen door onderzoekers vermeden worden en kunnen bijvoorbeeld onderzoekers van de middeleeuwse memoria met meer succes de functies van de teksten en objecten in de dodengedachtenis achterhalen.